Behandeling

Bij Lo-go!  is er onderzoek en behandeling  van de hierna beschreven problemen.
 

Leesproblemen (dyslexie)

Leren lezen vergt bij het ene kind al wat meer moeite dan bij het andere. Kinderen met leesproblemen verwarren vaak letters die op elkaar lijken (bv. b/d), ze lezen te traag of raden wat er staat. Leesproblemen zorgen vaak voor frustraties, zowel bij het kind als bij de ouders.
De logopedist onderzoekt de aard van het leesprobleem (fouten, tempo, leesstijl) en bepaalt het niveau en de achterstand t.o.v. klasgenoten. De behandeling wordt afgestemd op de specifieke moeilijkheden van het kind. Met leuk leesmateriaal en via spel wordt lezen weer leuker.
In bepaalde gevallen blijft het leesprobleem bestaan, ondanks intensieve oefening. We spreken dan niet meer louter van een leesachterstand, maar van een leesstoornis (dyslexie). Een diagnose dyslexie wordt gesteld na overleg met de verschillende betrokken partijen (ouders, logo, leerkracht, zorgjuf, CLB en arts).

 


Spellingsproblemen (dysorthografie)
Spelling is een belangrijk onderdeel binnen het taalonderwijs op school. Kinderen moeten regelmatig woorden oefenen voor een dictee. Sommige kinderen presteren zwakker dan klasgenoten, hoewel ze  even flink leren. Ze hebben meer moeite om het verschil tussen gelijkende klanken te horen of ze onthouden minder vlot woordbeelden. Het komt ook vaak voor dat kinderen de schema's van spellingsregels niet begrijpen of kunnen toepassen. Spellingsproblemen gaan in de praktijk vaak gepaard met leesproblemen, maar dat is niet noodzakelijk zo.
De logopedist analyseert het soort fouten (fouten tegen hoor-, weet- of regelwoorden) en bepaalt zo de werkpunten voor therapie.
Bij sommige kinderen blijven de spellingsproblemen bestaan, ondanks intensieve oefening. Er is dan sprake van een spellingstoornis (dysorthografie). Een diagnose dysorthografie wordt gesteld na overleg met de verschillende betrokken partijen.
Spellingsproblemen (dysorthografie)

Spelling is een belangrijk onderdeel binnen het taalonderwijs op school. Kinderen moeten regelmatig woorden oefenen voor een dictee. Sommige kinderen presteren zwakker dan klasgenoten, hoewel ze  even flink leren. Ze hebben meer moeite om het verschil tussen gelijkende klanken te horen of ze onthouden minder vlot woordbeelden. Het komt ook vaak voor dat kinderen de schema's van spellingsregels niet begrijpen of kunnen toepassen. Spellingsproblemen gaan in de praktijk vaak gepaard met leesproblemen, maar dat is niet noodzakelijk zo.
De logopedist analyseert het soort fouten (fouten tegen hoor-, weet- of regelwoorden) en bepaalt zo de werkpunten voor therapie.
Bij sommige kinderen blijven de spellingsproblemen bestaan, ondanks intensieve oefening. Er is dan sprake van een spellingstoornis (dysorthografie). Een diagnose dysorthografie wordt gesteld na overleg met de verschillende betrokken partijen.
 

Rekenproblemen (dyscalculie)

De brug over het tiental, maaltafels, kloklezen, kommagetallen, breuken, grote getallen, oppervlakte, vraagstukken.... Een struikelblok voor vele kinderen. Bovendien hebben ouders vaak moeite om oefeningen uit te leggen omdat ze niet weten hoe de leerstof op school wordt aangeleerd. Sommige kinderen lopen een grote achterstand op doordat ze al jaren foutieve rekenstrategieën toepassen.
Bij het onderzoek probeert de logopedist te achterhalen waar en waarom het misloopt. Tijdens de therapie wordt de juiste werkwijze aangeleerd en ingeoefend.
Het gebeurt dat rekenproblemen blijven bestaan, ondanks intensieve oefening. We spreken dan niet meer louter van een rekenachterstand, maar van een rekenstoornis (dyscalculie). Een diagnose dyscalculie wordt gesteld na overleg met de verschillende betrokken partijen (ouders, logo, leerkracht, zorgjuf, CLB en arts).
 

Lees-en rekenvoorwaarden

De overgang naar het eerste leerjaar is een grote stap. Sommige ouders vragen zich af of hun kind er klaar voor is.
Een logopedisch onderzoek kan meer duidelijkheid brengen. Auditieve vaardigheden en rekenbegrip worden nagegaan.

 

Articulatieproblemen

Peuters vereenvoudigen woorden vaak. Ze vervangen klanken die ze moeilijk vinden door andere (bv. toe i.p.v. koe) of laten klanken weg (bv. tinke i.p.v. drinken). Deze fonologische vereenvoudigingsprocessen verdwijnen normaal spontaan.
Kleuters vinden het vaak moeilijk om bepaalde klanken (r, s, g, l, ...) uit te spreken. De klank klinkt niet zuiver omdat hij op de foute plaats gevormd wordt. Of de klank wordt vervangen door een klank die er op lijkt (bv. jijden i.p.v. rijden). Een foutieve tongplaatsing kan een negatieve invloed hebben op de groei van de tanden.
Uitspraakfouten zijn volkomen normaal tijdens de spraakontwikkeling. Spraakklanken worden op verschillende leeftijden beheerst. Maar bij sommige kinderen blijven uitspraakfouten voorkomen. De logopedist stelt de fonologische processen en/of articulatieproblemen vast en adviseert therapie indien nodig. Tijdens de therapie wordt mondmotoriek geoefend en worden spraakklanken aangeleerd. De ouders staan mee in voor de overdracht van de geoefende klanken naar het dagelijkse leven.

Taalproblemen (dysfasie)

Elk kind ontwikkelt op zijn eigen tempo, maar soms komt de taalontwikkeling traag op gang of is er een achterstand merkbaar t.o.v. leeftijdsgenoten. De kleuterjuf/meester speelt een belangrijke rol in de vroege detectie van een probleem. Hij/zij kan immers goed vergelijken met leeftijdsgenoten.
De logopedist neemt een taaltest af en vergelijkt de resultaten met de normen voor kinderen van dezelfde leeftijd. Verder wordt bepaald op welk taaldomein de problemen zich voordoen (begrip, woordenschat, zinsbouw, woordvormen). Een vroegtijdige aanpak is van belang voor het welbevinden en het leervermogen van het kind. De logopedist oefent enerzijds op een speelse manier met het kind en geeft anderzijds advies voor taalstimulatie aan de ouders.
In bepaalde gevallen blijven de taalproblemen bestaan, ondanks intensieve oefening. We spreken dan niet meer louter van een taalachterstand, maar van een taalstoornis (dysfasie). Een diagnose wordt gesteld na overleg met de verschillende betrokken partijen (ouders, logo, leerkracht, zorgjuf, CLB en arts).
 

Afwijkende mondgewoonten
(duim-en vingerzuigen, infantiel slikken, habitueel mondademen,...)

Afwijkende mondgewoonten zijn gewoonten die een negatieve invloed hebben op de groei van tand-, mond-en gelaatstructuren en die gevolgen kunnen hebben voor de uitspraak.
Sommige kinderen kunnen het duim-of vingerzuigen bijvoorbeeld niet laten. Langdurig duim-of vingerzuigen kan bijvoorbeeld leiden tot voorwaartse groei van de tanden en ad- of interdentale spraak (medeklinkers s, z, t, d, n en l worden tegen of tussen de voorste tanden gevormd). Duim-of vingerzuigen wordt best afgeleerd voor het wisselen van de tanden. Tijdens de therapie wordt gewerkt rond bewustwording en worden geassocieerde problemen aangepakt. Er worden ook beloningssystemen uitgedacht om in de thuissituatie toe te passen.
Een ander frequent probleem is infantiel slikken. Tandartsen en orthodonten spelen een grote rol in de detectie ervan want het is relatief onbekend. Baby's en peuters drinken op een zuigende manier met een voorwaartse tongbeweging, omdat zij drinken van de moederborst, een papfles of een teutbeker. Op latere leeftijd evolueert de slik spontaan naar een vloeiende, achterwaartse tongbeweging. Sommige kinderen blijven echter infantiel slikken. Dit heeft in de eerste plaats nadelige gevolgen voor de tandstand, want slikken doen we vaak.
Habitueel mondademen (de gewoonte om langs de mond in te ademen) en een foutieve tongpositie in rust (de tong rust tegen de voorste tanden) zijn afwijkende mondgewoonten die vaak samen voorkomen met andere.
Al deze problemen vragen om gewoonteverandering. Een gewoonte veranderen is niet gemakkelijk. De medewerking en volharding van ouders is van belang voor het slagen van de therapie.


 

Slikproblemen (dysfagie)

Slikproblemen ontstaan vaak als gevolg van een CVA (cerebraal vasculair accident), een operatie of een neurodegeneratieve aandoening (bv. ziekte van Parkinson, ALS,..), maar kunnen ook deel uitmaken van het normale verouderingsproces. Zich verslikken (aspiratie) verhoogt de kans op een longontsteking. Het is dus van belang dat slikken veilig gebeurt.
De logopedist evalueert het slikken bij verschillende consistenties (vast, halfvast of vloeibaar voedsel) en schat het aspiratierisico in.
Veiligheid staat voorop bij de therapie. De therapie bestaat uit houdingsaanpassing, gerichte oefeningen en indien nodig, verandering van consistentie of voedingsvoorschriften.
 

Stemproblemen (dysfonie) 

Iedereen is wel eens hees: na een voetbalmatch, bij een verkoudheid, na een nachtje stappen,... Occasionele heesheid is niet erg. Wanneer heesheid vaak optreedt, raadpleeg je best een logopedist. Heesheid is een alarmsignaal van de stembanden. Frequente heesheid kan leiden tot stembandknobbels e.a. aandoeningen van de stembanden. De uitoefening van het beroep (bv leerkracht, receptionist,...) kan erdoor in het gedrang komen.
De logopedist onderzoekt de stemkwaliteit en bevraagt de impact van het stemprobleem op het dagelijkse leven.
Stemproblemen ontstaan meestal door foutief gebruik van de stem. De logopedist geeft advies, leert de juiste ademhaling aan en geeft oefeningen om te komen tot een ontspannen stemgeving. Soms treden stemproblemen op als gevolg van aandoeningen of medische interventies. We streven dan naar optimaal stemgebruik binnen de eigen mogelijkheden.
 

Afasie

Afasie is een taalstoornis die meestal ontstaat als gevolg van een CVA (cerebrovasculair accident), ook wel beroerte genoemd. De linker hersenhelft bestuurt verschillende taalfuncties. De aard en de ernst van de afasie hangt af van het aangetaste gebied in de hersenen. Er zijn patiënten die moeite krijgen om gesprekken te volgen, anderen die niet op hun woorden kunnen komen, en weer anderen die niet meer in volzinnen kunnen spreken,...
De logopedist onderzoekt de ernst van het probleem en gaat na welke taalfuncties gestoord zijn.
Een CVA meemaken is een ingrijpende gebeurtenis, zowel voor de patiënt als zijn omgeving. Leven met de gevolgen is niet gemakkelijk. De patiënt wordt vaak afhankelijk van de zorg van anderen en kan zijn gedachten niet vlot verwoorden. Intensieve logopedische therapie kan het herstel van de taalfuncties bevorderen en zo ook de zelfstandigheid en het welbevinden van de patiënt verbeteren.

 

 Dysartrie

Dysartrie is een spraakstoornis die meestal ontstaat als gevolg van een CVA (beroerte) of neurodegeneratieve aandoeningen (bv. ziekte van Parkinson, ALS). De verschijningsvorm is heel variabel. Dysartriepatiënten spreken trager, articuleren slapper of juist meer gespannen, of kunnen de spraakbewegingen minder goed controleren. Ook de stem, ademhaling en intonatie kunnen gestoord zijn. Een dysartriepatiënt weet precies wat hij wil zeggen, programmeert de opeenvolgende spraakbewegingen juist in de hersenen, maar de motorische uitvoering loopt mis.
De logopedist evalueert bij aanvang welke aspecten van de spraak gestoord zijn. Tijdens de therapie staat spraakverstaanbaarheid voorop.
 

Apraxie

Apraxie is een spraakstoornis die meestal ontstaat als gevolg van een CVA (beroerte) dat een letsel veroorzaakt in het spraakmotorisch gebied in de hersenen. Apraxiepatiënten hebben moeite met het bewust uitvoeren van mondbewegingen (orale dyspraxie) of spraakbewegingen (verbale dyspraxie). Het kan gebeuren dat een apraxiepatiënt een woord tien keer spontaan juist zegt, maar dat het hem niet lukt wanneer hij het bewust of op vraag moet zeggen. Apraxiepatiënten proberen zich vaak tevergeefs te verbeteren. Ze weten precies wat ze willen zeggen en de mondmotorische spieren werken zoals het hoort. Maar de motorische programmering van de spraakbewegingen in de hersenen is verstoord.
De logopedist stelt de specifieke moeilijkheden vast. Tijdens de therapie worden mondmotorische oefeningen gedaan en worden klankreeksen en meerlettergrepige woorden geoefend.
Verbale ontwikkelingsdyspraxie is een stoornis met min of meer dezelfde kenmerken. Maar het probleem bestaat vanaf de kindertijd en er is geen aantoonbare oorzaak. De therapieprincipes zijn gelijkaardig, maar afgestemd op kinderen.